Opinie: Vastberadenheid als macht: hoe mijn voorouders hun vrijheid van binnenuit creëerden

· - leestijd 4 minuten
Bob Harms, onafhankelijk cultuuronderzoeker met focus op Afro-Caribisch erfgoed en historische tradities.
Bob Harms, onafhankelijk cultuuronderzoeker met focus op Afro-Caribisch erfgoed en historische tradities. Bob Harms

Door Bob Harms


Ik ben een nazaat van mensen die zich niet hebben laten definiëren door de omstandigheden waarin zij werden geplaatst, maar die binnen die omstandigheden voortdurend zochten naar manieren om hun leven, en dat van hun naasten, naar hun hand te zetten. Als ik naar de geschiedenis van onze eilanden kijk, zie ik geen stilstaande massa van slachtoffers, maar een samenleving in beweging, waarin zwarte en gekleurde mensen, ondanks alle beperkingen van het koloniale systeem, bleven handelen, berekenen en anticiperen.

Wat mij daarin vooral treft, is hoe doelgericht dat handelen was. Het idee dat vrijheid enkel het gevolg zou zijn geweest van een besluit van bovenaf, houdt geen stand wanneer je kijkt naar wat mensen zelf deden. Het systeem van het peculium, het persoonlijk spaargeld van slaafgemaakten, laat zien hoe bewust men bezig was met het creëren van speelruimte. Door kleine handel, ambachtelijk werk of extra arbeid buiten de opgelegde uren werd geld verzameld, niet als bijverdienste, maar als onderdeel van een strategie die vaak één helder doel had: het vrijkopen van zichzelf of van familieleden. Daarbij moet ook worden gedacht aan vormen van collectief sparen die hun wortels hebben in Afrikaanse tradities, en die op de eilanden bekend werden als hunga sam, een rotatief spaarsysteem waarin deelnemers elkaar in vaste volgorde financieel versterkten. Het proces van manumissie was daarmee zelden een toevallige gunst, maar eerder het resultaat van jarenlange planning, wederzijdse steun en een scherp inzicht in de beperkte ruimte die het systeem bood.

Diezelfde logica van collectieve kracht kwam ook tot uiting in het dagelijks leven, bijvoorbeeld in het fenomeen van het combito. Mensen kwamen samen om elkaar te helpen, bijvoorbeeld bij het bouwen van een eenvoudige kas di pal’i maishi, of het binnenbrengen van de maïsoogst op hun kleine kunuku, niet tegen betaling, maar vanuit een gedeeld besef van wederzijdse afhankelijkheid. Werk en gemeenschap vielen daar samen, afgesloten met gezamenlijk eten, drinken en muziek, vaak gedragen door het ritme van de tambú. Wat op het eerste gezicht informeel en spontaan lijkt, blijkt bij nadere beschouwing een uitgekiend systeem van solidariteit te zijn geweest, waarin arbeid, sociale binding en culturele expressie elkaar versterkten.

Tegelijkertijd begrepen mijn voorouders dat overleven en vooruitkomen niet alleen afhankelijk waren van geld of arbeid, maar ook van relaties en betekenisgeving. In dat opzicht kreeg de deelname aan het katholieke leven een gelaagde betekenis. Veel van de mensen die in de late zeventiende en vroege achttiende eeuw op Curaçao aankwamen, waren afkomstig uit gebieden als Ndongo en Matamba (hedendaagse Angola en Centraal Afrika), waar het katholicisme al generaties eerder was geïntroduceerd door Portugese missiewerk, en geïntegreerd in lokale religieuze belevingen. Voor hen was het geloof dus geen volledig vreemd systeem, maar iets dat zij herkenden, herschikten en opnieuw betekenis gaven in een nieuwe context. Via doop, peetouderschap, het figuur van de ‘Yaya’ en kerkelijke netwerken ontstonden verbindingen die bescherming boden en toegang gaven tot een bredere sociale kring. Het systeem van kompader, komader en yaya functioneerde als een vorm van sociale zekerheid avant lalettre, waarbij mensen zich strategisch aan elkaar verbonden om sterker te staan in een kwetsbare positie.

In de stedelijke context van Punda en Otrobanda werd deze vorm van handelen nog zichtbaarder. Daar ontstond, mede door de economische dynamiek van de haven en de handel, ruimte voor gespecialiseerde arbeid en ondernemerschap. Vrije zwarten en kleurlingen wisten zich daar te positioneren als ambachtslieden, zeelieden en kleine ondernemers, en maakten gebruik van de afhankelijkheid van de koloniale economie van hun kennis en vaardigheden. Door zich onmisbaar te maken, creëerden zij een zekere mate van autonomie en onderhandelingsruimte, hoe precair die ook bleef. Tegelijkertijd ontwikkelde zich binnen deze groep een duidelijk gevoel van eigenwaarde, waarbij men niet alleen deelnam aan de samenleving, maar ook actief zijn plaats daarin opeiste en verdedigde.

De periode na de opstand van 1795 laat zien dat dit handelen zich niet beperkte tot individuele strategieën, maar ook collectieve dimensies kreeg. Veranderingen in de regio, zoals de afschaffing van de slavernij op andere eilanden, werkten door in Curaçao en boden nieuwe perspectieven. Vluchten over zee, het opzoeken van grenzen en het benutten van geopolitieke verschuivingen waren geen willekeurige daden, maar maakten deel uit van een bredere dynamiek waarin mensen hun mogelijkheden voortdurend heroverwogen. De koloniale overheid kon daar niet omheen en werd, soms tegen haar wil, gedwongen om rekening te houden met deze druk van onderaf.

Wat hieruit naar voren komt, is een geschiedenis waarin mijn voorouders niet slechts ondergingen wat hen overkwam, maar waarin zij, binnen de nauwe marges die hun werden gelaten, actief vormgaven aan hun bestaan. Hun handelen zat in het combineren van middelen, relaties en kennis om stap voor stap ruimte te creëren, voor zichzelf en voor de generaties na hen.

Het laat zien dat de weg naar emancipatie niet alleen liep via wetten en besluiten, maar vooral via mensen die, vaak buiten het zicht van de macht, bleven zoeken naar mogelijkheden om hun waardigheid te behouden en hun toekomst te beïnvloeden. In die zin is 1863 niet het begin van vrijheid, maar het formele sluitstuk van een proces dat al lang daarvoor in gang was gezet door degenen die geen reden hadden om te wachten.

Dit stuk is gebaseerd op de werken van Tessa Hofland, De lange weg naar vrijheid: Veranderende leefomstandigheden van Curaçaose slaafgemaakten in de periode 1795–1863; Han Jordaan, Slavernij envrijheid op Curaçao: De dynamiek van een achttiende-eeuws Atlantisch handelsknooppunt; en Wim Klooster, Subordinate but proud: Curaçao’s free blacks and mulattoes in the eighteenth century.

Bob Harms is een onafhankelijk onderzoeker, auteur en inleider gespecialiseerd in Afro-Caribisch erfgoed. Zijn werk richt zich op de Afrikaanse oorsprong van leefgewoonten, culinaire tradities en spiritualiteit in het Caribisch deel van het Koninkrijk.


340 keer gelezen

Deel dit artikel: